Tag Archives: Dutch verbs

More Dutch Grammar

I’m very badly late with my posts but as there is no time limit, guess I’m still gonna write these and maybe they will be helpful for someone else in the future… Who knows? 🙂

The sixth time we met with Bryan was sometime in the end side of April. And to me that was probably the most helpful lessons when it comes to grammar of Dutch language. We went through verbs and how to make them and then I needed to fill some simple phrases where I used verbs in different tenses. Dutch verbs are categorised in four categories:

  • Sterke werkwoorden (= strong verbs)
  • Zwakke werkwoorden (=weak verbs)
  • Gemengde werkwoorden (= mixed verbs)
  • Onregelmatige werkwoorden (= irregular)

They actually remind me a lot like German language and thus it was somewhat easy to understand how to make them but of course there a lot of differences. While we studied verbs we obviously needed go through them in different tenses but also how they conjugate with personal pronouns: (this table I totally stole from Bryan)

Present simple Past simple Present perfect future
Tegenwoordige tijd Verleden tijd Voltooid tegenwoordig tijd Toekomende tijd
Spelen (=to play) spelen spelen spelen
Ik speel Ik speelde Ik heb gespeeld Ik zal spelen
Jij speelt Jij speelde Jij hebt gespeeld Jij zal spelen
Hij, zij speelt Hij speelde Hij heeft gespeeld Hij zal spelen
Wij, we spelen Wij speelden Wij hebben gespeeld We zullen spelen
Jullie spelen Jullie speelden Jullie hebben gespeeld Jullie zullen spelen
Zij, ze spelen Zij speelden Zij hebben gespeeld Ze zullen spelen

It was good for me to go through all personal pronouns again, it feels like I did learn some Dutch during the spring, thanks to Bryan.

Dutch verbs + Flemish cities

1 Verbs

In Dutch there are four types of verbs.

  • Sterke werkwoorden (= strong verbs)
  • Zwakke werkwoorden (=weak verbs)
  • Gemengde werkwoorden (= mixed verbs)
  • Onregelmatige werkwoorden (= irregular)

The verb ’spelen’ (= to play)  belongs to the category of the weak verbs and it is relative easy to conjugate. In this lesson it is conjugated in the present, past, future and present perfect tense.

Present simple   Past simple   Present perfect   future
Tegenwoordige tijd   Verleden tijd   Voltooid tegenwoordig tijd   Toekomende tijd
Spelen (=to play)   spelen   spelen   spelen
Ik speel   Ik speelde   Ik heb gespeeld   Ik zal spelen
Jij speelt   Jij speelde   Jij hebt gespeeld   Jij zal spelen
Hij, zij speelt   Hij speelde   Hij heeft gespeeld   Hij zal spelen
Wij, we spelen   Wij speelden   Wij hebben gespeeld   We zullen spelen
Jullie spelen   Jullie speelden   Jullie hebben gespeeld   Jullie zullen spelen
Zij, ze spelen   Zij speelden   Zij hebben gespeeld   Ze zullen spelen

2 Flemish cities

 

Brugge is a relative small and medieval city and there is a good atmosphere. It can be compared to Tallinn.

Gent can be compared to Brugge, but this city is larger. There is a lot of activity during the week because it’s a student city.

People from Antwerpen consider their city as the capital of Flanders, but the capital of Flanders (and Belgium) is Brussels.

Leuven has probably the highest density population of students in Belgium.